Kerstroos

De legende van de Kerstroos door Selma Lagerlöf

De vrouw van de rover, die in het rovershol diep in het Goïnger bos woonde, had op een dag het bos verlaten om te gaan bedelen in het dorp. De rover zelf was vogelvrijverklaard en mocht niet buiten het bos komen. Hij lag er op de loer om reizigers, die zich in het bos waagden, te overvallen. Helaas voor hem kwamen er in de tijd waarin deze legende zich afspeelt niet al te veel reizigers in Noord-Skane. Als het dan ook gebeurde dat de rover een aantal weken geen geluk had, moest zijn vrouw eropuit. Ze nam haar vijf kinderen, die in slordige bontvachten gekleed waren en op schoenen van berkenbast liepen, mee. Op hun rug droegen ze een zak die bijna even groot was als zijzelf. Waar ze ook binnenging, niemand durfde haar iets te weigeren. Het was bekend dat wanneer ze ergens niet vriendelijk werd behandeld ze er niet voor terugschrok het huis de volgende nacht in brand te steken. De vrouw van de rover en hun kinderen waren erger dan wolven en meer dan één dorpeling zou hen graag aan zijn scherpste speer spietsen. Maar dat gebeurde nooit. Men wist dat in het bos haar man woonde, die iedere haar die hen gekrenkt zou worden ongetwijfeld zou wreken.

Toen de vrouw bedelend van boerderij naar boerderij trok, kwam ze op een mooie dag in Oved, dat in die tijd een klooster was. Ze belde aan de poort en vroeg iets te eten. Een monnik schoof een luikje open en gaf haar zes ronde broden, één voor haar en één voor ieder kind. Terwijl hun moeder nog bij de poort stond, liepen de kinderen rond. Een van hen kwam naar haar toe en trok haar aan haar rok; ze hadden iets gevonden, zij moest gauw komen kijken. De vrouw liet zich meetronen.
Rond het hele klooster stond een hoge, dikke muur, maar de kleine jongen had een achterdeurtje ontdekt, dat op een kier stond. De vrouw duwde onmiddellijk de deur verder open en ging zonder vragen naar binnen. Het klooster Oved werd in die tijd bestuurd door abt Johannes, die plantkundige was. Hij had binnen de muren een kleine botanische tuin aangelegd, waarin zij nu binnendrong. Zij was zo verbaasd door wat ze zag, dat ze bewegingloos bleef staan. Het was hartje zomer en de tuin van de abt stond in volle bloei. Overal was het een uitbundige kleurenpracht; blauw, rood en geel waar men ook keek! Na een paar seconden trok er een vergenoegde glimlach over haar gezicht en begon ze een smal pad op te lopen. Het leidde haar langs vele kleinere bloembedden. In de tuin was een lekenbroeder aan het wieden. Hij had de deur opengelaten om melde en kweekgras op de mesthoop buiten de muur te kunnen gooien. Toen hij de vrouw van de rover met haar vijf kinderen in de tuin zag lopen, liep hij onmiddellijk op ze af en zei ze in niet mis te verstane woorden, weg te gaan. Maar de bedelaarster liep verder alsof er niets gebeurd was. Haar blik zwierf van links naar rechts, keek naar het bed met stijve witte lelies en naar de bloemen die hoog tegen de kloostermuur op groeiden. Ze stoorde zich niet in het minst aan de lekenbroeder.

Hij dacht dat ze hem niet verstaan had en wilde haar bij de arm naar de uitgang trekken. De vrouw richtte zich in haar volle lengte op en wierp hem zo’n felle blik toe dat hij terugdeinsde. ‘Ik ben de vrouw van de rover uit het Goïnger bos’, voegde ze hem toe, ‘waag het niet me aan te raken.’ Toen ze dat gezegd had, leek ze er even zeker van te zijn dat ze haar weg kon vervolgen als wanneer ze verkondigd had dat ze de koningin van Denemarken was. Maar de lekenbroeder waagde het haar opnieuw te storen, hoewel hij haar, nu hij wist wie ze was, vriendelijker toesprak. ‘Je moet toch weten, vrouw, dat dit een monnikenklooster is en dat er geen vrouw binnen de muren mag komen? Als je niet gaat, worden de monniken boos op mij omdat ik vergeten ben de deur te sluiten en sturen ze me misschien wel weg!’ Maar zulke woorden waren aan de vrouw van de rover niet besteed. Ze liep verder naar de rozenbedden en bekeek de hysop die vol lila bloemen zat. Ook de kamperfoelie hing vol met geelrode trossen. Toen wist de lekenbroeder niets beters te doen dan in het klooster hulp te halen. Hij kwam terug met twee stevige monniken. De vrouw begreep dat het hen ernst werd. Ze posteerde zich midden op het pad en begon met schelle stem te schreeuwen dat ze zich op een vreselijke manier op het klooster zou wreken als ze niet in de prachtige tuin mocht blijven zo lang zij dat wilde. Maar de monniken, die dachten dat ze van haar niets te vrezen hadden, overlegden hoe ze haar weg konden krijgen. Daarop begon de vrouw schel te schreeuwen; ze wierp zich op de monniken en sloeg en beet. Haar kinderen begonnen haar te helpen. De drie mannen merkten al gauw dat ze haar niet aankonden. Ze konden niets anders doen dan in het klooster hulp halen.

Toen ze over het pad renden dat naar het klooster voerde, kwamen ze abt Johannes tegen. Hij liep haastig op hen af om te horen wat de reden voor het lawaai in de tuin was. Ze moesten hem bekennen dat de vrouw van de rover uit het Goïnger bos in de kloostertuin was en dat ze haar zonder meer hulp niet weg konden krijgen. De abt verweet hen, dat ze geweld hadden gebruikt en verbood hen hulp te halen. Hij stuurde de beide monniken terug naar hun werk en nam, hoewel hij oud en gebrekkig was, alleen de lekenbroeder mee de tuin in. Toen abt Johannes daar aankwam liep de vrouw zoals tevoren tussen de bloembedden rond. En hij verbaasde zich over haar. Hij wist dat ze nog nooit in haar leven een dergelijke tuin had gezien. Maar ze liep heen en weer tussen de bedden, die allemaal met een andere en zeldzame soort bloemen bezaaid waren, alsof ze haar bekend voorkwamen. Het was alsof ze al eerder maagdenpalm, salie en rozemarijn had gezien. Sommige soorten lachte ze toe en bij het zien van andere schudde ze haar hoofd. De abt hield meer van zijn tuin dan van welke aardse en vergankelijke dingen dan ook. Hoewel de vrouw met drie monniken had gevochten en er wild en grimmig uitzag, voelde hij toch sympathie voor haar. Ze had het immers gedaan om de tuin goed te kunnen bekijken? Hij liep naar haar toe en vroeg haar vriendelijk of ze de tuin mooi vond. De vrouw draaide zich bliksemsnel om, want ze verwachtte opnieuw dat ze haar met harde hand zouden proberen te verwijderen. Toen ze echter de grijze haren en de gebogen rug van de abt zag, antwoordde ze kalm: ‘Toen ik de tuin zag dacht ik dat ik nog nooit een mooiere had gezien, maar nu weet ik dat hij zich niet kan meten met een andere tuin die ik ken.’ De abt had een dergelijk antwoord niet verwacht. Toen hij hoorde dat de vrouw een tuin kende die mooier was dan die van hem, verscheen er een lichte blos op zijn gerimpelde wangen. De tuinknecht, die erbij stond, begon de vrouw dan ook dadelijk te berispen. ‘Dit is abt Johannes’, zei hij, ‘die met veel inspanning en ijver van heinde en verre de bloemen voor zijn tuin bijeengezameld heeft. We weten allemaal dat er in heel Skane geen mooiere tuin is en het is zeker niet aan jou, die nota bene het hele jaar in het bos woont, zijn werk te bekritiseren.’ ‘Ik wil zijn of jouw werk niet afkeuren’, antwoordde de vrouw van de rover, ‘ik zeg alleen dat wanneer jullie de tuin die ik ken zouden kunnen zien, je iedere bloem die hier staat uit de grond zou trekken en als onkruid weggooien.’ Maar de tuinknecht, die misschien nog wel trotser op de bloemen was dan de abt zelf, begon honend te lachen. ‘Ik begrijp best dat je zo opschept om ons te tergen’, zei hij: ‘Dat zal me een mooie tuin zijn die je tussen de dennen en jeneverbesstruiken in het Goïnger bos hebt aangelegd. Ik zou durven zweren dat je nog nooit van je leven binnen de muren van een tuin bent geweest.’ De vrouw werd rood van kwaadheid omdat ze haar niet geloofden. Ze riep: ‘Het kan best zijn dat ik nooit eerder in een tuin ben geweest, maar jullie als monniken moeten toch weten dat het grote Goïnger bos om de geboorte van onze Heiland te vieren iedere kerstnacht in een prachtige tuin verandert? Wij, die in het bos wonen, hebben dat nu al jaren meegemaakt. In die tuin heb ik zulke prachtige bloemen gezien, dat ik het nooit gewaagd heb er één te plukken!’ Toen lachte de lekenbroeder nog harder: ‘Je kunt nu wel opscheppen over iets wat geen mens ooit kan zien, maar ik geloof dat het alleen maar mooie verhaaltjes zijn. Het bos zou toch nooit het geboorteuur van Christus vieren op een plaats waar zulke goddeloze mensen als jij en je man wonen!’ ‘Toch is het net zo waar als het feit dat jij niet in de kerstnacht naar het bos durft te komen om het te zien’, zei de vrouw.

De lekenbroeder wilde opnieuw antwoorden, maar abt Johannes beduidde hem te zwijgen. De abt had al in zijn jeugd horen praten over het feestgewaad waarin het bos zich zou kleden in de kerstnacht. Hij had er vaak naar verlangd het te zien, maar het was hem nooit gelukt. Hij begon de vrouw van de rover opgewonden en dringend te vragen of hij in de kerstnacht naar het hol van de rover zou mogen komen. Hij zou de ligging ervan nooit verraden, integendeel, hij zou hen belonen zoveel hij kon. Een van haar kinderen zou hem de weg kunnen wijzen. De vrouw weigerde eerst. Ze dacht aan het gevaar dat haar man zou lopen als ze abt Johannes naar hun hol zou laten reizen. Ten slotte won haar verlangen om hem te laten zien dat de tuin die zij kende mooier was dan de zijne en dus stemde ze toe. ‘Maar meer dan één metgezel mag u niet meenemen’, zei ze. ‘En u mag ons niet in een hinderlaag lokken of ons laten overvallen, zo waarachtig u een man van God bent.’ Dat beloofde abt Johannes en toen vertrok de vrouw van de rover.

De abt verbood de lekenbroeder over wat afgesproken was te spreken. Hij vreesde dat zijn monniken, als ze van het plan zouden horen, hem met het oog op zijn leeftijd niet naar het hol zouden laten gaan. Ook hij zelf wilde het plan met geen sterveling bespreken. Op een dag echter, kwam aartsbisschop Absalom uit Lund, die op reis was, naar Oved om er de nacht door de te brengen. Toen Johannes hem de tuin liet zien, moest hij terugdenken aan het bezoek van de vrouw van de rover. De lekenbroeder die er aan het werk was, hoorde hoe de abt zijn hoge gast over de rover, die al jaren vogelvrij in het bos woonde, vertelde. Abt Johannes vroeg de aartsbisschop een vrijbrief voor hem, opdat hij weer een normaal eerlijk leven onder de mensen zou kunnen leiden. ‘Zoals het nu gaat groeien zijn kinderen op tot nog ergere misdadigers dan hij zelf is. Binnenkort zullen we daar in het bos met een hele roversbende te maken krijgen.’ Maar aartsbisschop Absalom antwoordde dat hij die slechte rover niet te midden van de eerlijke mensen in het land wilde laten wonen. Het was voor alle betrokkenen maar het beste als hij daar diep in het bos bleef wonen. Toen begon de abt vol vuur de aartsbisschop te vertellen, dat het Goïnger bos zich rond het rovershol ieder jaar in kerstgewaad kleedde. ‘Als de rovers niet te slecht zijn om Gods heerlijkheid te mogen aanschouwen,’ betoogde hij, ‘dan kunnen ze toch niet te slecht zijn om de genade van de mensen te ontvangen.’ Maar de aartsbisschop had wel een antwoord voor de abt: ‘Ik wil u dit beloven, abt Johannes,’ zei hij glimlachend, ‘dat op de dag dat u mij een bloem stuurt uit die kersttuin in het Goïnger bos, ik u een vrijbrief geef voor iedere vogelvrije waarvoor u me dat vraagt.’ De lekenbroeder begreep dat aartsbisschop Absalom even weinig als hij zelf geloofde van het verhaal van de vrouw. Maar abt Johannes merkte het niet. Hij dankte Absalom voor zijn belofte en zei dat hij hem die bloem zeker zou sturen. 

Op de volgende kerstavond ging de wens van abt Johannes in vervulling: hij was niet op Oved, maar onderweg naar het Goïnger bos. Een van de kinderen van de rover rende voor hem uit en zijn metgezel was de tuinknecht, die in de tuin met de vrouw van de rover had gesproken. De abt had de hele herfst naar deze tocht verlangd en was blij dat het zover was. Met de lekenbroeder echter was het anders gesteld. Hij hield vanuit het diepst van zijn hart van de abt en zou niet graag gezien hebben dat een ander met hem mee was gegaan om hem te beschermen; maar hij geloofde niet dat ze een kersttuin te zien zouden krijgen. Hij dacht dat het een valstrik was van de rover om zo de abt in handen te krijgen. Tijdens zijn tocht naar het noorden zag abt Johannes dat er overal voorbereidingen voor het vieren van het kerstfeest werden getroffen. In iedere boerenhoeve werden vuren gestookt in de badkamer, zodat de bewoners ‘s middags zouden kunnen baden. Uit de voorraadschuren werden flinke hoeveelheid vlees en brood de huizen binnengedragen. Knechten droegen bossen stro naar binnen die op de vloeren uitgespreid moesten worden. Toen hij langs het dorpskerkje reed zag hij hoe de pastoor en de koster bezig waren de mooiste altaarkleden die ze maar hadden kunnen vinden op te hangen. Even later, toen hij langs de weg naar het klooster Bosjö kwam, zag hij de armen met grote stapels broden en kransen terugkomen van de kloosterpoort.
Abt Johannes kreeg nog meer haast bij het zien van al die voorbereidingen op het kerstfeest. Hij dacht aan het veel grotere feest dat hem zelf te wachten stond. Maar de lekenbroeder klaagde en jammerde bij het zien van alle voorbereidingen tot op het kleinste boerderijtje! Hij werd banger en banger en smeekte abt Johannes ten slotte om terug te gaan en zich niet zomaar aan de rover uit te leveren. Maar de abt reed verder, zonder acht te slaan op het geklaag. Hij liet de laagvlakte achter zich en reed het stille, hoger gelegen bosgebied binnen. De weg werd slechter, het was nauwelijks meer dan een rotsig en met dennennaalden bezaaid pad. Er waren geen bruggetjes over de beekjes en rivieren. Hoe verder ze reden, hoe kouder het werd en diep in het bos was de grond bedekt met sneeuw. Het was een lange en moeilijke tocht door het bos. Ze namen steile en glibberige zijpaden en trokken door moerassen en drassige velden. Ze moesten zich zelfs af en toe een weg door het kreupelhout banen.
Tegen het invallen van de nacht leidde het kind hen over een weide waar hoge bomen omheen stonden. Er stonden wat kale loofbomen en groene dennen. Aan één kant verhief zich een bergwand en daarin zat een deur van ruwe, dikke planken. Abt Johannes begreep dat ze aan het einde van de tocht waren gekomen en hij klom van zijn paard. Het kind deed de deur voor hem open en hij keek een schamele grot met kale rotswanden binnen. De vrouw van de rover zat bij een houtvuur dat midden op de vloer brandde. Tegen de wand waren wat bedden van twijgen en mos gemaakt. Op één ervan lag de rover te slapen. ‘Kom toch binnen, jullie daarbuiten’, riep de vrouw, zonder op te staan, ‘en neem de paarden mee naar binnen, zodat ze niet doodgaan van de kou vannacht’. Abt Johannes ging de grot binnen en de lekenbroeder volgde hem. Het was er armoedig en de vrouw had geen voorbereidingen getroffen om het kerstfeest te vieren. De vrouw had niets gebakken of gebrouwen en niet schoongemaakt. Haar kinderen lagen op de grond. Ze aten uit een ketel waarin niets beters zat dan een waterige gortepap. Maar de vrouw gedroeg zich net zo waardig en zelfbewust als een trotse boerenvrouw. ‘Gaat u hier maar zitten, abt Johannes, en warm u’, zei ze. ‘En als u te eten bij u heeft, eet dat dan nu maar. Het eten dat we hier in het bos klaarmaken zal u, denk ik, toch niet smaken. Als u moe bent van de reis, kunt u op een van de bedden daar wat rusten. U hoeft niet bang te zijn dat u zich zult verslapen, want ik blijf bij het vuur waken en zal u roepen zodat u alles, waarvoor u gekomen bent, kunt zien’. De abt deed wat de vrouw zei en pakte zijn knapzak. Maar hij was zo moe van de lange tocht dat hij bijna niets kon eten en insliep zodra hij was gaan liggen. De lekenbroeder kreeg ook een bed aangewezen, maar hij durfde niet te gaan slapen. Hij dacht dat hij de rover in de gaten moest houden, zodat die niet stiekem op zou staan om de abt gevangen te nemen. Maar langzamerhand overmande ook hem de vermoeidheid, zodat hij toch in in slaap viel.
Toen hij wakker werd, zag hij dat de abt was opgestaan en bij het vuur met de vrouw zat te praten. De rover zat bij hen. Het was een lange magere man die er moe en somber uitzag. Hij zat met zijn rug naar de abt toe. Het leek alsof hij niet wilde dat ze merkten dat hij naar hun gesprek luisterde. De abt vertelde de vrouw over de voorbereidingen van de viering van het kerstfeest die hij onderweg had gezien en herinnerde haar aan het kerstmaal en de vrolijke kerstspellen zoals zij in haar jeugd ook wel zou hebben meegemaakt, toen ze nog tussen de mensen woonde. ‘Het is jammer voor uw kinderen dat ze nooit mee kunnen doen als de andere kinderen verkleed op straat spelen en stoeien in het kerststro’, zei abt Johannes. De vrouw gaf een nogal kortaf en stug antwoord, maar langzamerhand begon ze zachter te praten en met meer aandacht te luisteren. Plotseling draaide de rover zich echter om naar de abt en schudde hem een gebalde vuist voor zijn gezicht heen en weer. ‘Jij ellendige monnik, ben je soms hier gekomen om mijn vrouw en kinderen bij mij vandaan te lokken? Weet je dan niet dat ik vogelvrij ben verklaard en het bos niet mag verlaten?’ De abt keek hem rustig aan. ‘Mijn plan is je een vrijbrief van de aartsbisschop te bezorgen’, zei hij. De rover en zijn vrouw barstten in lachen uit. Ja, zij wisten maar al te goed wat voor genade een rover van bisschop Absalom kon verwachten! ‘Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg’, riep de rover, ‘dan beloof ik je dat ik nooit meer zal stelen, nog geen gans!’ De tuinknecht was verontwaardigd, dat ze de abt durfden uit te lachen, maar het leek Johannes zelf weinig te kunnen schelen. De knecht had hem zelden zo vriendelijk en tevreden gezien bij de monniken op Oved, als nu tussen een paar rovers.
Maar plotseling sprong de roversvrouw op. ‘Wij zitten hier maar te praten, abt Johannes’, zei ze, ‘en we vergeten helemaal naar het bos te kijken. Ik kan hierbinnen zelfs het luiden van de kerstklokken horen’. Onmiddellijk nadat dit gezegd was stonden allen op en gingen zo snel mogelijk naar buiten. In het bos was het nog donker en koud. Het enige dat ze hoorden was het luiden van de klokken ver weg, aangedragen door een zachte zuidenwind. ‘Hoe zal nu het luiden van de klokken het bos tot leven kunnen brengen?’, vroeg abt Johannes zich af. Want nu hij midden in het donkere, winterse bos stond, leek het hem nog minder mogelijk dan vroeger, dat hier een prachtige tuin zou opbloeien. 

Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, schoot er plotseling een lichtstraal door het bos. Meteen werd het weer even donker als ervoor, maar na een poosje kwam het licht terug. Als een oplichtende mist verspreidde het zich moeizaam tussen de donkere bomen, maar het had zoveel kracht dat het duister overging in een zwakke morgenschemering. Toen zag de abt dat de sneeuw verdween, alsof iemand een mat wegtrok. De grond begon groen te worden. Varens kwamen tevoorschijn, met hun loten ineengerold als bisschopsstaven. De erica die op de steenhopen groeide en de rozemarijn die in het moeras groeide, kregen snel een lentegroene kleur. Mosheuveltjes werden hoger en lentebloemen schoten op. Ze hadden zwellende knoppen die al een beetje kleur vertoonden. Abt Johannes’ hart sloeg heftig toen hij de eerste tekenen van het ontwaken van het bos zag. ‘Zou een oude man als ik toch nog een wonder mogen meemaken?’ vroeg hij zich af en er schoten tranen in zijn ogen.
Toen werd het weer zo donker dat het leek alsof het duister van de nacht het weer zou winnen. Maar opnieuw brak het licht, dat als een golf kwam aanrollen, door. Beken begonnen te bruisen en watervallen te ontdooien. De bladeren van de loofbomen verschenen zo snel dat het leek alsof er een wolk groene vlinders op de kale takken was neergestreken. En niet alleen de bomen en de planten werden wakker. Een kruisbek begon in de takken heen en weer te springen. Spechten hakten in de stammen zodat de splinters in het rond vlogen. Een vlucht spreeuwen streek in de top van een den neer om wat te rusten. Het waren geen gewone spreeuwen. De puntjes van hun veren waren rood en als ze zich bewogen, schitterden ze als edelstenen. Opnieuw werd het een tijdje stil, maar toen begon het weer. Een sterke, warme zuidenwind stak op en strooide alle zaden uit zuidelijke landen, die door vogels aan land waren gebracht, uit. Ze hadden nog nergens in de harde grond wortel kunnen schieten. Hier op de bosweide schoten ze op op het moment dat ze de grond raakten. Toen de volgende lichtgolf kwam, begonnen de blauwe bosbessen en de vossenbessen te bloeien. Wilde ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, vinken bouwden hun nest en de jonge eekhoorntjes begonnen in de boomtakken te spelen.
Alles voltrok zich nu zo snel, dat de abt geen tijd had zich te realiseren wat voor wonder er gebeurde. Hij had alleen maar tijd om zijn ogen en oren open te sperren. De volgende lichtgolf die kwam aanrollen bracht de geur van pas geploegde akkers. Heel in de verte hoorde je de herderinnen de koeien lokken en het geluid van de belletjes van de lammeren. De dennen en sparren waren zo dicht met goudachtig rode appels bezaaid, dat de bomen glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen die elk ogenblik van kleur veranderden. Bosbloemen bedekten de grond zodat die helemaal wit, blauw en geel was. Abt Johannes boog zich voorover en plukte een aardbeibloesem en terwijl hij zich oprichtte, rijpte de aardbei in zijn hand. Een vossenmoeder kwam uit haar hol met een rij jongen achter zich aan. Ze liep op de vrouw van de rover af en krabde aan haar rok. De vrouw bukte zich en prees haar mooie jongen. De bosuil die net zijn nachtelijke jacht was begonnen keerde, verbaasd over het licht, maar weer naar huis terug en ging zitten slapen in zijn spleet. De koekoek riep en zijn wijfje cirkelde met haar ei in haar bek rond de nesten van kleine zangvogeltjes.
De kinderen van de rover schreeuwden van plezier. Ze deden zich tegoed aan de bosbessen, die zo groot als dennenappels aan de struiken hingen. Een van hen speelde met een paar jonge haasjes, een ander liep om het hardst met de kraaien die ze nog voor ze volgroeid waren hun nest hadden verlaten en een derde pakte een adder van de grond op en hing die om zijn nek. De rover stond op het mos en at bramen. Toen hij opkeek zag hij vlak naast zich een groot, zwart dier. De rover brak een wilgentakje af en tikte er de beer mee op zijn neus. ‘Blijf jij nou aan jouw kant’, zei hij. ‘Dit is mijn kant.’ De beer week achteruit en liep de andere kant op.
Steeds opnieuw kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan. Ditmaal droegen ze het geluid van snaterende eenden in het bosmeer mee. Geel stuifmeel van het roggeveld zweefde door de lucht. Er fladderden grote vlinders die op vliegende lelies leken. Het bijennest in de holle eik zat nu al zo vol honing, dat het langs de stam naar beneden droop. De bloemen, waarvan het zaad uit verre landen was gekomen, openden zich. Langs de bramen klommen rozenstruiken tegen de bergwand op. Uit de bosweide schoten bloemen op zo groot als mensengezichten. Abt Johannes dacht aan de bloem die hij voor bisschop Absalom moest plukken, maar de ene was nog mooier dan de andere en hij wilde de allermooiste voor hem uitzoeken.
De ene lichtgolf na de andere kwam en nu was het zo licht dat het overal schitterde. En al de pracht en de glans van de zomer lachten de abt toe. Hij dacht dat de aarde hem geen groter geluk zou kunnen schenken dan het zo snel doen komen van dit mooie jaargetijde. Hij zei in zichzelf: ‘Nu zou ik niet meer weten wat de volgende lichtgolf nog voor mooiers zou kunnen brengen.’ Maar het licht bleef komen en het leek de abt alsof het iets meevoerde vanuit de oneindige verten. Hij voelde dat hemelse lucht hem begon te omgeven en hij begon bevend van ontroering te verwachten dat hij, nu hij eerst aardse vreugde had mogen beleven, ook hemelse vreugde zou mogen ervaren. De abt merkte dat alles stil werd, de vogels zwegen, de jonge vossen speelden niet langer en de bloemen groeiden niet verder. De gelukzaligheid die over hem kwam was zo groot, dat zijn hart bijna ophield met kloppen. Uit zijn ogen vloeiden tranen – hij merkte het niet, de ziel verlangde weg te mogen vliegen, de eeuwigheid in. Héél, héél ver weg klonk harpmuziek en hemels gezang naderde als gefluister. Abt Johannes vouwde zijn handen en zakte op zijn knieën. Zijn gezicht straalde. Nooit had hij gedacht al in dit leven de vreugde des hemels te mogen ervaren en de engelen kerstliederen te zullen horen zingen.
Maar naast de abt stond de tuinknecht die met hem mee was gekomen. Hij zag het bos van de rover vol groen en bloemen en hij werd kwaad omdat hij begreep dat hij nooit zo’n prachtige tuin zou kunnen aanleggen, al werkte hij nog zo hard met zijn schoffel en spade. Hij kon niet begrijpen dat God zulke heerlijkheid juist aan de rovers verspilde. Zij hielden immers vast en zeker zijn geboden niet in ere? Er kwamen duistere gedachten bij hem op. Het kan echt geen wonder zijn, dacht hij, dat zich hier voor de ogen van misdadigers voltrekt. Dit kan niet van God komen, maar moet uit toverij ontstaan. Dit is allemaal een spel van de duivel. Het is de macht van het kwade, die ons beheerst en ons dingen doet zien die niet bestaan. In de verte klonken de liederen van engelen, maar de lekenbroeder dacht dat het boze, duivelse machten waren, die dichterbij kwamen. ‘Ze willen ons verzoeken en verleiden’, zuchtte hij. ‘Nooit komen we hier heelhuids meer vandaan. We worden betoverd en aan het kwaad uitgeleverd’. Nu waren de engelenscharen zo dichtbij, dat abt Johannes tussen de bomen de lichtende gestalten zag opdoemen. De lekenbroeder zag hetzelfde als hij, maar hij dacht alleen maar hoe verschrikkelijk het was dat boze geesten zich met deze zaken bezighielden, juist in de geboortenacht van de Verlosser. Dat was immers alleen maar om de christenen des te beter te kunnen bedriegen?
Al die tijd hadden er vogels rond het hoofd van abt Johannes gevlogen en had hij ze in zijn hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor de lekenbroeder: geen vogel was er op zijn schouder gaan zitten en geen slang speelde er rond zijn voeten. Een bosduifje dat merkte hoe dichtbij de engelen waren gekomen, vatte moed. Ze vloog op de schouder van de lekenbroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Hij meende dat de toverij zo dichtbij hem kwam om hem te bekoren en te verleiden. Hij sloeg met zijn hand naar het duifje en riep zo hard dat het door het bos galmde: ‘Ga terug naar de hel, waar je vandaan bent gekomen!’ Juist op dat ogenblik waren de engelen zo dichtbij gekomen dat de abt hun grote vleugels hoorde ruisen. Hij zat geknield om ze te kunnen begroeten. Toen de woorden van de lekenbroeder echter opklonken, werd het gezang plotseling afgebroken en vluchtten de hoge gasten. Ook het licht en de zachte warmte verdwenen op slag bij het aanhoren van zoveel kou en duisternis in een mensenhart. Als een groot kleed daalde de duisternis over de aarde neer, de koude kwam terug, de planten op de weide krompen in elkaar, de dieren renden weg, het ruisen van de watervallen verstomde en de bladeren vielen ritselend van de bomen. Het klonk alsof het regende.
Abt Johannes voelde hoe zijn hart, dat even tevoren nog overvloeide van gelukzaligheid, zich nu krampachtig samentrok in ondraaglijk verdriet. Dit zal ik niet overleven, dacht hij. De engelen die zo dichtbij waren en zelfs kerstliederen voor mij wilden zingen zijn weggejaagd. Plotseling dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had. Hij boog zich voorover en tastte tussen de bladeren en het mos om op het laatste moment nog iets te vinden. Maar hij voelde hoe de grond onder zijn vingers bevroor en zag hoe witte sneeuw over het veld kwam aanglijden. Toen werd zijn verdriet nog groter, hij voelde zijn hart steken. Hij kon zich niet meer oprichten en bleef vooroverliggen …
Maar toen het gezin van de rover en de lekenbroeder tastend in het donker de grot teruggevonden hadden, misten zij abt Johannes. Zij pakten een paar brandende takken uit het vuur en gingen hem zoeken. Ze vonden hem voorover liggend in de sneeuw: dood. De lekenbroeder begon te jammeren en te huilen, want hij begreep dat hij de abt gedood had. Hij had hem de beker der vreugde, waarnaar Johannes zo erg had verlangd, van de lippen gerukt. 

Toen de abt naar Oved was gebracht, zagen de monniken die de zorg voor de dode hadden, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets dat hij tijdens zijn sterven gegrepen moest hebben. Nadat ze de hand eindelijk hadden geopend, zagen ze dat hij een paar aan het mos ontrukte witte bolletjes omkneld had gehouden. Toen de lekenbroeder, die de abt vergezeld had, de bolletjes zag nam hij ze mee naar buiten. Hij plantte ze in de tuin van abt Johannes. Hij verzorgde ze en wachtte het hele jaar af of er ook bloemen op zouden komen. Tevergeefs. De lente, de zomer en de herfst verstreken. Toen de winter was gekomen en alle bladen en bloemen dood waren, wachtte hij niet langer meer.

Op de kerstavond herinnerde echter alles zo sterk aan abt Johannes, dat hij naar de tuin ging om hem te gedenken. En kijk, toen hij langs de plaats kwam waar hij de kale bolletjes had geplant zag hij dat daar welige, groene stengels waren opgeschoten, die prachtige bloemen met zilverwitte bladeren droegen. Hij riep alle monniken van Oved bij elkaar en toen ze zagen dat deze plant bloeide op kerstavond, als alle andere planten dood zijn, begrepen ze dat deze werkelijk door abt Johannes uit de kersttuin in het Goïnger bos was meegebracht. De lekenbroeder zei dat er nu zo’n groot wonder had plaatsgevonden ze een paar van de bloemen aan bisschop Absalom moesten geven. Toen de lekenbroeder voor bisschop Absalom verscheen, gaf hij hem de bloemen en zei: ‘Deze stuurt abt Johannes u. Dit zijn de bloemen die hij u beloofde te plukken in de kersttuin in het Goïnger bos.’ En toen bisschop Absalom de bloemen zag, die midden in de winter waren opgekomen, en hoorde wat de lekenbroeder zei, werd hij erg bleek, alsof hij een dode had ontmoet. Hij bleef een poos zitten zonder te spreken en toen zei hij: ‘Abt Johannes heeft woord gehouden. Ik zal het mijne houden.’ Hij liet een vrijbrief schrijven voor de rover, die vanaf zijn jeugd als vogelvrije in het bos had gewoond. Hij gaf de brief aan de lekenbroeder en die trok naar het bos en vond de weg naar het rovershol.

Toen hij daar op kerstdag binnenging, liep de rover hem met opgeheven bijl tegemoet: ‘Ik zal jullie monniken neerslaan, hoeveel er ook van jullie zijn’, zei hij. ‘Het ligt aan jullie dat het Goïnger bos vannacht niet in een prachtige kersttuin is veranderd’. ‘Het is alleen maar aan mij te wijten’, antwoordde de lekenbroeder, ‘en ik wil graag sterven, maar eerst moet ik een boodschap van abt Johannes afgeven.’ En hij haalde de brief van de bisschop tevoorschijn en vertelde de rover dat hij voortaan vrij was om te gaan en staan waar hij wilde. Hij liet hem het zegel van bisschop Absalom zien dat aan het perkament hing. ‘Vanaf nu zullen u en uw kinderen het kerstfeest vieren onder de mensen, zoals abt Johannes het wilde’, zei hij. Daarop wist de rover, die bleek was geworden, niets te zeggen. Zijn vrouw sprak voor hem: ‘Abt Johannes heeft zijn woord gehouden. Mijn man zal dat ook doen’.

Maar toen de rover en zijn vrouw uit het hol trokken, trok de lekenbroeder erin en bleef eenzaam achter in het bos. Hij bad dagelijks dat zijn harde ongeloof hem vergeven zou worden.

En niemand mag een kwaad woord zeggen over een mens, die berouw heeft en zich bekeert, maar wel mag men wensen dat die boze woorden nooit gesproken waren. Het Goïnger bos heeft nooit meer het geboorteuur van Christus gevierd. Van al die heerlijkheid bleef alleen het plantje over dat abt Johannes heeft geplukt. Het werd ‘kerstroos’ genoemd en ieder jaar komen in de kersttijd zijn groene stengels en witte bloemen op uit de aarde, alsof het nooit kan vergeten dat het eens in de prachtige grote kersttuin groeide.